Martens 0000.0011

 

Literatuur

 

- Bruin, Renger de & Arend Pietersma (red.), "Erfgenamen aan het Janskerkhof. De familie Martens in Utrecht, 628-1927", uitgegeven als Jaarboek Oud-Utrecht 2002. Utrecht (Vereniging Oud-Utrecht), z.j. [224 blz. ISBN 90.71108.21.X]

- Eikema Hommes, Margriet van, Art and allegiance in the Dutch Golden Age: The ambitions of a wealthy widow in a painted chamber by Ferdinand Bol. Amsterdam (Amsterdam University Press), 2012 [304 blz. ISBN 978.90.8964.326.1]

- Eikema Hommes, Margriet van, "Het mysterie van de geschilderde kamer". In: Tijdschrift van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2012 [jrg 4] - nr 3, blz. 4-7 (Verslag van een speurtocht naar de oorspronkelijke plaats van een ensemble van 5 wandvullende schilderingen door Ferdinand Bol (1616-1680), een succesvolle leerling van Rembrandt. Vier van de schilderijen hangen sind 1913 in het Vredespaleis in Den Haag. Daarvan hangen er 3 in een 17e-eeuwse stijlkamer: Mozes in zijn biezen mandje die door de dochter van de farao gevonden wordt; koning Cyrus die aan de Israëlieten hun geroofde tempelschatten teruggeeft; Aeneas die van zijn moeder Venus een wapenuitrusting krijgt. Het 4e schilderij in het Vredespaleis hangt in een kantoorruimte: de aanvoerder van Gods leger verschijnt bij Jericho aan Jozua. Het 5e schilderij hangt in de Statenzaal van het Noord-Brabants Museum in Den Bosch: Abraham krijgt bezoek van drie engelen. Samen beslaan de 5 schilderingen bijna 75 m2. Het ensemble is in 1892 aan de Nederlandse staat geschonken door de familie Royaards uit Utrecht, alwaar ze in hun grachtenpand Nieuwegracht 6 hingen. De bedoeling was dat ze in het Rijksmuseum kwamen, maar slechts de Abraham heeft er kort gehangen.
Nieuwegracht 6 is zo grondig tot kantoor verbouwd, dat er weinig aanknopingspunten leken te zijn. Forensisch onderzoek door het Restauratie Atelier Limburg van de doeken in het Vredespaleis toonde onder meer uitsnedes om ze tussen plafondbalken te laten passen. Boven de systeemplafondplaten bleek in Nieuwegracht 6 de 17e-eeuwse samengestelde balklaag nog aanwezig, met deels nog de oospronkelijke roodbruine beschildering met gouwgele biezen. "Dit gecombineerde bouwhistorische, sporen- en archiefonderzoek toont onomstotelijk aan dat de serie wel degelijk voor de Nieuwegracht gemaakt is. Exact op maat. Ook blijkt precies hoe de doeken hingen. Dit was in de salon achter in het huis, met aan de tuinzijde op het oosten drie hoge ramen. Daar hingen op de zuidwand vanaf het raam gezien de Jozua, de Aeneas en de Abraham. Tegenover de ramen nam de Mozes bijna de hele westwand in beslag, met rechts ervan een deur naar het voorhuis. De noordwand had eerst een deur met daarnaast Bols Koning Cyrus en een rijk versierde schouw. Deze is eind negentiende eeuw overgebracht naar het stadhuis van Soest, maar naderhand gesloopt. Rechts van de schouw hing tot 1892 een voorstelling met Venus en Adonis van de Utrechtse zeventiende-eeuwse schilder Jan van Bijlert. Hierop komt het geschilderde licht van links, terwijl in de salon het daglicht hier van rechts invalt. Daardoor weten we dat stuk oorspronkelijk niet voor deze plek gemaakt is." Van dit laatste schilderij is een fragment bewaard, nu in het Centraal Museum. De schilderingen van Bol liepen oorspronkelijk door tot de plint langs de vloer. Daardoor stond de kijker als het ware tussen de levensgrote figuren, zoals dat vaker in die eeuw bedoeld was. Rond 1750 zijn de doeken hoger opgehangen, tot tussen de moerbalken, waarvoor insnedes gemaakt werden. Hiermee is nog niet het hele verhaal verteld. De schilderijen hebben stroken met opvallende naden: kleinere schilderingen zijn uitgebreid, deels met andere kleine schilderijen, die daartoe aangepast werden. De doeken zijn ontstaan tussen 1660 en 1663, toen werd dit pand bewoond door Jacoba Lampsins en haar 4 kinderen. Zij was de weduwe van de jurist en belastingontvanger Carel Martens († 1649). Beide families waren zeer welgesteld, met name Jacoba's familie had lucratieve VOC-aandelen. En beide families waren om religieuze redenen het zuiden ontvlucht. Jacoba kocht Nieuwegracht 6 in 1657. Dat zij de opdrachtgeefster was blijkt ook uit de voorstellingen. Aeneas verwijst naar Oostende, waar haar familie vandaan kwam. Cyrus en Jozua naar een conflict in de Utrechtse gemeenteraad, waarbij Jacoba de kant van Voetius kiest. Bovendien hielp dat haar bij het bereiken van het politiek lucratieve huwelijk van haar zoon Jacob met Aletta Pater. Inderdaad: "Enkele jaren na zijn huwelijk werd Jacob lid van de vroedschap. Daaruit voortvloeiend ontvingen hij en zijn broers diverse eervolle en lucratieve betrekkingen. In feite vormde dit huwelijk de start van een periode van tweehonderd jaar waarin leden van de familie Martens onafgebroken lid waren van het Utrechtse stadsbestuur.")